Gele Anemoon

Gele Anemoon

Latijnse naam: Anemone ranuncoloïdes

Friese naam: Giele anemoan

Uiterlijke kenmerken / Kleur: Deze soort bezit een kruipende wortelstok. De driedelige stengelbladen zijn vele malen langer dan hun steel. Hierdoor zijn ze in niet-bloeiende toestand te onderscheiden van de bosanemoon, waarbij de stengelbladen slechts dubbel zo lang zijn als hun steel. De heldergele bloemen zijn 2 cm doorsnee en staan met twee of drie bijeen. De bloemdekbladen zijn van buiten behaard. Bij regen of koud weer krommen de bloemstelen zich, zodat de bloemen naar beneden worden gekeerd en het lijkt alsof ze gaan slapen. De plant is 10-25 cm hoog.
  
Periode van bloei: April



Te vinden bij
: Martena-state in Cornjum, Dekema State in Jelsum

Land van herkomst: Centraal Europa 

In tegenstelling tot veel stinzenplanten breidt de gele anemoon zich uit door ondergrondse wortelstokken. Ook wordt er heel fijn zaad gevormd. Zuid-Limburg behoort tot het verspreidingsgebied van de gele anemoon. Ze groeit daar onder andere met daslook, voorjaarshelmbloem en herfststlijlloos in daslookrijk eiken-haagbeukenbos met bewegend, kalkrijk water. In 1811 werd deze soort door Lejeune voor het eerst uit het Savelsbos vermeld. Het is de enige stinzenplant die in de Friese flora van Meese uit 1760 beschreven staat. Franeker wordt hierin als vindplaats genoemd.
Het oorspronkelijke verspreidingsgebied omvat een groot deel van Europa tot in het oosten van België, Zuid-Limburg, Denemarken, Zuid-Zweden en Zuid-Finland tot in West-Azië. In Engeland is de plant op enkele plaatsen ingeburgerd en werd ze daar al in 1596 als sierplant gekweekt. In een deel van Nederland komt de plant voor in het wild, in een deel is deze beperkt tot stinzenmilieus, waarbij niet is uitgesloten dat de plant zich hier spontaan heeft gevestigd. Het is dus een regionale stinzenplant.