Basis van beheer

Algemene basisregels beheer stinzenflora

Bodembewerking
Als het bodemleven goed op peil is, is bodembewerking nauwelijks nodig. Dieren als regenwormen, woelmuizen, mollen en mieren zorgen voor lucht in de bodem en vermengen de bovenste humuslaag met de onderliggende bodem. Bovendien dragen ze bij aan de kruimelstructuur van de bodem, de bodemdynamiek, de strooiselvertering en daarmee ook aan het vrijkomende voedingsstoffenaanbod. Bodembewerking door mensenhanden levert slechts tijdelijk dynamiek op, dus het is beter om als beheerder in een gezond bodemleven te investeren door voor voldoende organisch materiaal te zorgen. Dat geldt in dubbele mate bij grasvegetaties en droge zandgronden.

Verruiging
Accepteer dat bij stinzenflora een zekere mate van verruiging hoort. Blad en takken van loofbomen moeten ter plekke op de grond verteren, want ze horen in de kringloop thuis en zijn daarmee essentieel voor een goed stinzenmilieu. En daar voelen planten als brandnetel, fluitenkruid, zevenblad en speenkruid zich nu eenmaal ook goed bij... Zelfs al jeuken de handen van de beheerder om ze weg te halen, het terrein moet juist zoveel mogelijk met rust worden gelaten om een gezonde vegetatie stinzenflora te behouden.

Maaibeheer
Te vroeg maaien is funest voor voorjaarsbloeiers. Een bol of knol moet van nature kunnen afsterven en de zaden kunnen laten rijpen, dus ze moeten de tijd krijgen om zich op het volgende bloeiseizoen voor te bereiden. Bij structureel te vroeg maaien wordt de bol uitgeput en zal de stinzenplant na een paar jaar stoppen met bloeien. De eerste maaibeurt mag op z'n vroegst ná half juni plaatsvinden, waarbij het grove maaisel de eerste keer wordt afgevoerd. Door het laten maaien kan het zijn dat na de bloeitijd van de stinzenflora het beeld op sommige plaatsen wordt bepaald door ruigtekruiden, zoals fluitekruid, maar dat hoort erbij!

Bodemverdichting
Een luchtige bodem is noodzakelijk voor stinzenflora, dus verdichting moet ten allen tijde worden voorkomen. Met name evenementen, graafwerkzaamheden en stalling van bouwmaterialen en machines zijn funest. Zelfs een hoge hondendruk laat zijn sporen na. Ook is het niet goed in één keer een dikke laag nieuwe grond op het terrein te storten. Doe dat indien nodig liever in etappes, verspreid over meerdere jaren.

Opslag
De natuur moet zo veel mogelijk zijn gang kunnen gaan, maar kijk wel uit met dichtgroei van houtige opslag als bramen of esdoorn, want daar kan de stinzenfloravegetatie door achteruit gaan. Zo nu en dan ingrijpen door het weghalen van houtige opslag is prima. Let wel op met het snoeien en kappen van loofbomen. Als opeens veel meer licht op de bodem valt, kan dat invloed hebben op de stinzenflora. Een goed stinzenmilieu is schaduwrijk. Bovendien zorgt het blad- en takafval van de omringende loofbomen voor de benodigde voedingselementen. Kies voor loofbomen met blad dat snel verteert; liever geen naaldbomen, taxus of hulst en ook geen berken, want onder de berk is het vaak te droog.
Bij het verwijderen van opslag kunnen er takkenrillen worden gemaakt van het snoeiafval, maar zorg er dan wel voor dat deze niet op de plaatsen worden aangelegd waar in het voorjaar stinzenplanten groeien. Markeer daarom al in de bloeiperiode geschikte plekken.

Ziekte
Het verdwijnen van stinzenflora heeft vaak te maken met veranderingen in het stinzenmilieu, maar van de bostulp is bekend dat ook de ziekte 'tulpenvuur' een sterk verminderde bloei tot gevolg kan hebben. Het blad sterft dan vroegtijdig af en de bolmaat blijft te klein, zodat bloeien niet meer lukt. Ervaring heeft geleerd dat bostulpen het beste bloeien als ze aan de zonkant van bomen staan en ze extra voedsel krijgen, bijvoorbeeld door bemesting met voedselrijk organisch materiaal.